Make your own free website on Tripod.com
Het dagelijks leven van een boeddhistische monnik

Home

Thailand
-
De geschiedenis van het boeddhisme in Thailand
De toetreding tot de sangha
Het dagelijks leven
-
China
-
De geschiedenis van het boeddhisme in China
Toetreding tot de sangha
Het dagelijks leven
-
Tibet
-
De geschiedenis van het boeddhisme in Tibet
Toetreding tot de sangha
Het dagelijks leven
-
Meditatie
Nawoord
Literatuur
Contact
De geschiedenis van het boeddhisme in China

verspreidingvanhetboeddhismenaarchina.jpg

 

De ontwikkeling van het boeddhisme in China is in vier fases te verdelen.

 

Fase 1:            introductie

 

Tijdens de eerste eeuw n. Chr. kwam het boeddhisme vanuit India met handelaren via de handelsroute (Zijderoute) het noordwesten China binnen. China was op dat moment al een geletterde beschaving met zijn eigen religies die diep geworteld waren in de samenleving. Deze religies hebben ieder op geheel eigen wijze een bepaalde invloed gehad op het karakter dat het boeddhisme zou krijgen in China. De oudste van deze religies was het Tao´sme met zijn oprichter Lao-Tzu (604 v. Chr.) dat zich in de eerste plaats bezighield met het verlengen van het leven door middel van de alchemie. De tweede inheemse religie was het Confucianisme, gebaseerd op de woorden van Confucius (551-497 v. Chr.) die gericht waren op een sociale harmonie. Het confucianisme stuurde aan op een gevoel van superioriteit van de Chinese cultuur en droeg bij aan het algemene gevoel van de Chinezen: dat ze geen boodschap hadden aan de 'import' van een barbaarse religie uit het westen.

Deze eerste fase van Boeddhistisch contact (tot aan de 4e eeuw n. Chr.) had weinig impact op het Chinese religieuze leven. De activiteiten van de boeddhisten waarvan de meeste niet van Chinese komaf waren, draaiden grotendeels om de vertaling en studie van een veelzijdige stroom van Boeddhistische teksten die werden ge´mporteerd via de Zijderoute. De eerste sutra die in die periode werd vertaald was de 'Sutra in 42 paragrafen'.

Vertalingen uit deze vroege periode suggereren dat er een minimale interesse voor het boeddhisme was. Dit veranderde na de val van de Han dynastie (220 na. Chr.): de lessen omtrent de vergankelijkheid pasten goed in deze tijd. Er werden veel meer vertalingen gemaakt van de Mahayana sutras. Helaas is er verder maar weinig bekend over het boeddhisme in deze periode, behalve dan dat het niet tot de belangstelling van de geleerde Chinese upper classes behoorde.

 

Fase 2:             verdere ontwikkeling

 

De tweede fase van de ontwikkeling begon bij de ineenstorting van het noordelijke deel van het Chinese keizerrijk door het binnendringen van de Hunnen (320 n. Chr.). Het Chinese hof ging naar het zuiden en tot het einde van de 6e eeuw werd China verdeeld in een noordelijk en zuidelijk deel. Juist in deze periode kon het boeddhisme zich verder ontwikkelen.

In het noordelijk deel was een voor de Chinezen buitenlandse heerser aan de macht. Hierdoor was het ook niet zo problematisch voor een buitenlandse religie als het boeddhisme om zich daar te ontwikkelen. Het vertalen en bestuderen van Indiase teksten ging dus gewoon door, ook al legde dit de nadruk op de niet-Chinese afkomst van het boeddhisme. De continuering van de levering van Indiase teksten werd mogelijk gemaakt door de nabijheid van de handelsroute met het westen. Aan het begin van de 5e eeuw n. Chr. waren er in het noorden van China 30.000 kloosters met zon 2 miljoen monniken. Er was in die tijd een monnik, Kumarajiva, die alle nodige talen kende. Hij organiseerde een soort vertaalbureau en introduceerde zo het Madhyamaka Boeddhisme in China.

In het zuiden was er sprake van een totaal andere situatie die op zijn geheel eigen wijze ook voor een verdere ontwikkeling zorgde. De populariteit van het Confucianisme nam af en tegelijkertijd vond er een toenemende interesse in het Tao´sme plaats. Daarnaast leden de mensen onder de politieke situatie van dat moment. Dit alles leidde tot een open-minded leven waarin voor het eerst plaats was voor het boeddhisme en het boeddhisme ook aantrekkelijk werd voor de upper-class van China. Dit werd nog eens ondersteund door de isolatie van contacten met het westen waardoor de nadruk niet langer meer op de Indiase afkomst van het boeddhisme lag. Deze Indiase afkomst was voor het door de Chinezen geregeerde zuiden problematischer dan in het noorden. Deze situatie resulteerde in vormen van het boeddhisme met een Chinees karakter. Rond 400 v. Chr. waren er bijna 2000 kloosters in het zuiden en voor het eerst moesten de boeddhisten lijden onder aanvallen uit de confucianistische hoek. Het confucianisme wilde het boeddhisme uit hun land verwijderen. Het hoogtepunt van de populariteit van het boeddhisme in het zuiden werd bereikt toen keizer Wu (502-549 n. Chr.) een boeddhistisch leek werd en vervolgens het tao´sme in de ban deed en dierenoffers verbood.

 

Fase 3:             periode van grote invloed

 

De derde fase valt samen met de hereniging van het noordelijk en zuidelijk deel van China. Op dat moment begonnen de twee boeddhistische stromingen die in de bovengenoemde 2e fase tot ontwikkeling waren gekomen zich met elkaar te vermengen. Wederom functioneerde de handelsroute met het westen als gang voor de overlevering van de Indiase boeddhistische ideeŰn. Toen de weg in het midden van de 7e eeuw door de Moslims werd afgesneden, maakten zij vervolgens gebruik van de route over zee naar Zuidoost AziŰ. Ondanks het feit dat aan het einde van deze periode het boeddhisme hevig werd onderdrukt als gevolg van een opleving van het confucianisme en het tao´sme, heeft het boeddhisme juist in deze periode de meeste invloed uitgeoefend op de Chinese cultuur en vond het veel gehoor in de samenleving. In deze periode ontstonden er een aantal Chinees boeddhistische scholen[1]. Deze zijn in twee groepen te verdelen:

1                    gebaseerd op de leer van Indiase boeddhistische scholen en meesters

2                    het 'product' van Chinese geleerden. Bijv. T'ien-T'ai, Hua-yen, Ch'an en Ching-T'u

 

Fase 4:       vervolgingen

 

Deze fase begint met de hevige vervolgingen onder de tao´stische keizer Wu-tsung  in 845. De T'ien-t'ai en de Hua-yen scholen gingen ten onder. Ch'an en Ching-t'u overleefden de vervolgingen en herstelden zich. Langzaam vonden deze scholen hun plaats in de sterk confucianeerde samenleving. In verloop van tijd ontstond er een populaire religie waarin de drie 'hoofdstromingen': boeddhisme, tao´sme en confucianisme samensmolten.

In 1280  kwam de Mongoolse Yuan dynastie tijdens een korte bezetting aan de macht. Deze dynastie maakte van het tantrisch Tibetaans Boeddhisme de staatsgodsdienst, maar deze vorm werd niet populair bij de bevolking en verdween na de bezetting weer van het toneel.

Tijdens de Ming dynastie (1368-1662 n. Chr.) legde de eerste keizer een link tussen het nieuwe keizerrijk en de aankomst van de nieuwe boeddha, Maitreya, dit gaf enige support aan Chan en Chung-tu en hun populariteit.

 

Uiteindelijk stond de grootste vijand van het boeddhisme in China op: het marxisme. De overheid was ervan overtuigd dat het boeddhisme voor zijn eigen ondergang zou zorgen. Dit had tot gevolg dat het boeddhisme niet direct werd onderdrukt, maar dat de overheid de Chinese Boeddhistische Organisatie oprichtte om het boeddhisme te beheersen. Deze organisatie probeerde de boeddhisten te ontmoedigen en moest zo het proces van verval van deze godsdienst versnellen.

 

De communistische en Culturele Revolutie in de 20e eeuw leidde tot een verwoesting van het boeddhisme. Tempels en kloosters werden geplunderd en monniken werden gedwongen hun taken neer te leggen.

 

In 1976 kreeg China weer toegang tot het westen en nam de tolerantie omtrent het boeddhisme toe, zij het gestaag. Tempels werden weer herbouwd.

 

Tegenwoordig is de overheid milder; -ondanks aanhoudende problemen met Tibet- het praktiseren van het boeddhisme is weer mogelijk, al wordt het niet gestimuleerd.

 

Mijn stukken over de toetreding tot de sangha en het dagelijks leven zijn met name gebaseerd op de situatie zoals deze was voor de communistische en Culturele Revolutie. Ik neem aan dat de kloosters, toen zij zich herstelden na deze periode, in grote lijnen op dezelfde voet zijn verder gegaan



[1] A. Skilton, A Concise History of Buddhism, Birmingham 1994, 168-172

old_monklg.jpg