Make your own free website on Tripod.com
Het dagelijks leven van een boeddhistische monnik

Home

Thailand
-
De geschiedenis van het boeddhisme in Thailand
De toetreding tot de sangha
Het dagelijks leven
-
China
-
De geschiedenis van het boeddhisme in China
Toetreding tot de sangha
Het dagelijks leven
-
Tibet
-
De geschiedenis van het boeddhisme in Tibet
Toetreding tot de sangha
Het dagelijks leven
-
Meditatie
Nawoord
Literatuur
Contact
De geschiedenis van het boeddhisme in Tibet

monktibet.jpg

 

In boeken over de geschiedenis van het Tibetaanse boeddhisme wordt vaak verteld over de volgende legende over hoe het boeddhisme tibet bereikte: op een bepaalde dag ergens in de vijfde eeuw rustte Lhathothori Nyantzan, voorvader van het Tubo-koninkrijk, op de top van Yungbolhakang. Plotseling vielen er boeddhistische geschriften uit de hemel. De koning had geen idee wat ze waren, maar een stem uit de hemel vertelde hem dat de zesde koning van het Tubo-koninkrijk dat wel zou weten.

Volgens historische documenten werden deze geschriften door Indiase boeddhisten naar Tibet gebracht. Toen ze merkten dat de Tibetanen geen idee hadden wat ze betekenden, verborgen de boeddhisten ze op een veilige plaats en gingen ze terug naar India.

Uiteindelijk kwam de voorspelling uit de legende uit; het boeddhisme verspreidde zich tijdens de regering van Song-tsen-gam-po in de zevende eeuw. 

Hij werd in de latere boeddhistische traditie gezien als een van de drie grote boeddhistische koningen. De twee anderen waren Trhi-song-de-tsen, die tijdens de tweede helft van de achtste eeuw regeerde, en Ral-pa-can, die regeerde van 815-836.

 

Hij deed zijn best vriendschappelijke banden aan te gaan met buurlanden om de economie te versterken en te leren van hun ontwikkelde cultuur. Daarom trouwde hij ook met prinses Khridzun uit Nepal en prinses Wencheng uit China. De vrouwen namen allebei een beeld van Boeddha mee, en lieten tempels bouwen om ze in te zetten. Ondertussen begonnen monniken boeddhistische geschriften te vertalen. Zo verbreidde het boeddhisme zich in Tibet.

 

Na de dood van Song-tsen-gam-po was er een strijd om de macht in Tibet. Het boeddhisme bloeide niet op, totdat Tride Zhotsan, een achterkleinzoon van Song-tsen-gam-po aan de macht kwam. Hij trouwde met de Chinese prinses Jincheng, die monniken naar Tibet over liet komen om de leiding over de kloosters over te nemen. Ze haalde de regering over monniken die vanuit het westen gevlucht waren op te nemen. Er werden zeven kloosters gebouwd om ze op te vangen. Terwijl het boeddhisme zich verspreidde, groeide de ontevredenheid van bepaalde ministers die de Bon-religie aanhingen. Ze stelden alles in het werk de uitbreiding van het boeddhisme tegen te werken. Dit duurde totdat Trisong Detsan, de zoon van Tride Zhotsan aan de macht kwam. Hij nodigde Zhibatsho en Padmasambhava, beroemde Indiase monniken, uit om in Tibet het Samye klooster te bouwen in 799.

 

De koningen die hem opvolgden deden erg veel aan het promoten van boeddhisme door kloosters te bouwen en boeddhistische sutras te laten vertalen. Ze moedigden monniken aan naar Tibet te komen en zelfs in de regering werkzaam te zijn, om de ministers die de Bon-religie aanhingen tegen te werken. Die werden daardoor alleen maar haatdragender en lieten uiteindelijk in 842 de koning vermoorden. Daarna steunden ze de broer van Trisong Detsan, de volgende koning, en werd het boeddhisme onderdrukt. Hij werd al snel omgebracht door Tibetaanse boeddhisten, en er brak oorlog uit tussen de verschillende partijen.

In het begin van de tiende eeuw ontstond er een feodale samenleving in Tibet. Elke minister had een eigen deel van het koninkrijk waar zij de macht hadden. Zij promootten het boeddhisme weer om hun eigen macht te versterken. Maar deze soort van boeddhisme was heel anders dan daarvoor. Het resultaat van de driehonderd jaar durende strijd tussen het boeddhisme en de Bon-religie was dat ze bepaalde dingen van elkaar overnamen.

 

In die tijd lukt het Mar Shakya Yeshi, Yogejung en Tsang Rabsel, monniken uit de lijn van de abt Shantarakshita, te ontsnappen naar het noorden van Tibet. Daar zorgden ze voor een opleving van het boeddhisme. De boeddhistische gemeenschap groeide snel. Daarna gingen monniken terug naar het centrum van het land en zorgen daar voor een opleving van het boeddhisme. Ze bouwden tempels en kloosters en gaven les.

 

Maar de grootste opbloei van het boeddhisme was in het westen van Tibet. Lha Lama Yeshe O stuurde intelligente jonge Tibetanen naar Kashmir, wat toen een boeddhistisch centrum was. Toen ze terug kwamen in Tibet verspreidden ze de leer door les te geven, geschriften te vertalen en kloosterorden te stichten. Ook werd de Indiase meester Atisha uitgenodigd naar Tibet te komen.

Onder zijn vele leerlingen was Drom Tonpa, die later de Kadampa traditie stichtte, het meest beroemd. Tijdens deze periode werd het contact tussen Tibet en India versterkt, en de invloed van verschillende leraren leidde tot een diversiteit van verschillende leringen. Geleidelijk ontwikkelden zich drie grote nieuwe tradities, Sakya, Kagyu en Gelug.

Deze laatste werd de meest machtige en invloedrijkste in Tibet. 

 

In deze tijd waren er meer dan 6000 kloosters (ook voor nonnen). Tegenwoordig is daar nog maar weinig van over. Velen zijn beschadigd of totaal vernield door de Chinezen. Er zijn meer dan 200 kloosters weer opgericht in ballingschap, in India, Nepal en Bhutan. Daarnaast zijn er over de hele wereld talloze boeddhistische centra.

 

dalai-lama.jpg